Extremisme

Gepubliceerd op 5 november 2022 om 15:05

Mensen vervreemden steeds meer van zowel de samenleving als van het politieke systeem. Maar wat ligt daar aan de oorzaak van? 

Van de heisa van vorig jaar naar aanleiding van de betrokkenheid van Feniks tijdens de Brusselse mars tegen de coronapas op 21 november 2021 en heksenjacht op Matthias Desmet van de afgelopen weken tot de berichtgeving rond de dood van goud- en zilverhandelaar Yannick Verdyck, elke keer opnieuw wordt er verwezen naar “extreem-rechts”. Hoe vaak is die term ook effectief van toepassing? Voldoen de individuen en groepen die als dusdanig omschreven worden ook effectief aan de definitie van “extreem-rechts” en kunnen we hier spreken van radicalisatie aan rechterzijde, of zegt het te pas en de onpas gebruik van deze term meer over diegenen die de termen neerpennen? Rukt de samenleving effectief op naar rechts, zoals vaak inplicitiet of expliciet beweerd wordt, of kunnen we eerder zeggen dat het mainstream gebruik van de term “extreem-rechts” een soort van inflatie ondergaan heeft?

 

Wij, Feniks, zullen zeker niet ontkennen dat extremisme een reëel probleem vormt voor deze samenleving. Maar dit is een probleem dat geheel losstaat van één bepaald segment van het politieke spectrum. Extremisme is een probleem dat zowel voorkomt aan linkerzijde als aan rechterzijde van dat spectrum, zowel bij nationalisten als globalisten, zowel bij religieuzen als niet-religieuzen, zowel bij vriend als bij vijand van het huidige establishment. Maar vooraleer we hier dieper op ingaan, misschien moeten we eerst definiëren wat we verstaan onder de term “extremisme”?

 

De Nederlandstalige Wikipedia omschrijft de term “extremisme” als “een vorm van radicalisme met een tot het uiterste doorgetrokken ideologie waarbij de bereidheid tot het sluiten van compromissen ontbreekt." Deze definitie laat het gebruik van de term binnen de context van eender welke ideologie (of religie). Ze vertelt ons echter niets over waarom “extremisme” problematisch is.

 

Volgens het OCAD gaat het bij extremisme om "racistische, xenofobische, anarchistische, nationalistische, autoritaire of totalitaire opvattingen of bedoelingen”. Deze definitie legt een aantal expliciete criteria op waaraan een ideologie moet voldoen om als extremistisch beschouwd te worden, maar ook deze definitie kan toegepast worden over het hele politieke en religieuze spectrum.  

 

Een probleem met deze definitie, echter, is dat het bij meerdere van de criteria waaruit ze bestaat bestaat gaat om termen die enerzijds geladen zijn en anderzijds ambigu. Wat maakt een opvatting racistisch or xenofobisch? Wat maakt een opvatting anarchistisch of totalitair? Het is maar al te gemakkelijk om bijvoorbeeld vrije migratie als mensenrecht te omschrijven en alle kritiek op vrije migratie als racistisch of xenofobisch te bestempelen. En met hetzelfde gemak kan elke vorm van kritiek op de representatieve democratie als regeringsvorm als hetzij anarchistisch hetzij totalitair bestempeld worden. Hiermee worden bepaalde standpunten als dogma’s opgelegd terwijl andere standpunten de facto onuitspreekbaar worden, ongeacht of deze wetenschappelijk of sociaal onderbouwd kunnen, en daarmee creëer je een totalitair angstklimaat waar de bevolking amper nog een mening durft uiten. Dit is – ironisch – net zelf erg extremistisch.

 

Nog een andere definitie is bijvoorbeeld die van historicus Vincent Scheltiens: "voor mij is het kantelpunt de visie over rechten en vrijheden. Denk aan vrouwenrechten, rechten voor mensen met een andere seksuele voorkeur, persvrijheid, migratie,..." Ook deze definitie omschrijft een lijst met specifieke criteria. Deze definitie is véél minder ambigu dan de vorige, maar dit maakt ze des te problematischer. Een heel enge marge van zogenaamd progressieve standpunten worden hier als dogma gehanteerd word vanzelfsprekend worden geacht voor de hele samenleving, waarmee zelfs zéér gematigde vormen van conservatisme in het hokje “extremisme” belanden. Meer zelfs, de gehele samenleving waarin onze ouders en grootouders opgroeiden wordt hiermee “extremistsch”. Dit maakt deze definitie dan ook geheel onbruikbaar. 

 

Zelfs binnen een zuiver links-progressief kader is de definitie van Scheltiens weinig bruikbaar. Want die rechten met betrekking tot andere geaardheden, welke zijn dat eigenlijk? Binnen de LGBTQ-gemeenschap is geen concensus rond heel was LGBTQ-issues. Is het huwelijk eigenlijk wel relevant voor mensen die aangetrokken zijn tot hetzelfde geslacht? Is een leeftijdsbeperking op seksualiteit eigenlijk nog wel van deze tijd? Moeten kinderen die zich niet thuisvoelen in een lichaam passende bij het geslacht waarmee ze geboren zijn op jonge leeftijd reeds behandeld worden met hormonen of geöpereerd worden? Over deze en vele andere kwesties is er verdeeldheid binnen de LGBTQ-gemeenschap. En de wetgeving is in sommige gevallen zéér expliciet rond welk standpunt aanvaardbaar is. Zo verbiedt de wet het nog steeds dat een 40-jarige seksuele betrekkingen heeft met een 14-jarige. Betekent het dan dat ik geen extremist ben als ik dit verwerpelijk vind? Maar wat als ik wel achter dit standpunt sta? En is een homo zie zelf niet gelooft in de zin van het homohuwelijk een extremist omdat de wet dit sinds enige tijd erkent? Of geldt dit enkel voor mensen die niet behoren tot de LGBTQ-gemeenschap? En wat met iemand die 20 jaar hetzelfde standpunt innam als de wetgever en vandaag nog steeds dat standpunt aanhoudt waar de wet sindsdien aangepast is? Is die persoon extremist geworden omwille van het wijzigen van de wet? 

 

Een minder subjectieve maatstaf bij het definiëren van extremisme betreft het al dan niet hanteren van geweld in pogingen politieke of religieuze doelen te bereiken. Dit lijkt op het eerste zicht misschien een zinvollere definitie dan eerdere definities, maar wat betrekent dit dan voor de overheid? Elke overheid in elke rechtsstaat hanteert een geweldsmonopolie en is veelal betrokken partij binnen geweldplegingen op internationaal toneel. Zo levert onze regering heden bewapening aan Oekraïne en neemt ze hiermee indirect deel in het oorlogsgeweld. Ook in eerdere conflicten in landen als bijvoorbeeld Syrië of het toenmalige Joegoslavië heeft België acties ondernomen waarmee het geweld ondersteunde. Maakt dat onze overheid dan extremistisch? 

 

Elk van de aangehaalde definities is problematisch, de ene al wat meer dan de andere. Misschien moeten we iets verder kijken? Als de OCAD het heeft over het “radicaliseringsproces” beschrijft ze deze als “een dynamisch proces dat begint met een vervreemding van de samenleving en het politieke systeem, een groeiende intolerantie ten overstaan van een gedachtegoed dat men niet deelt en de toenemende bereidheid om geweld te aanvaarden als middel om het eigen gedachtegoed op te leggen aan anderen.” Hier komen we op het terrein van definitie 4. De vraag is echter hoe men op het punt komt waarop geweld toelaatbaar of zelfs wensbaar wordt. Wat maakt het dat mensen zich beginnen te “vervreemden van de samenleving en het politieke systeem”? Ligt de oorzaak van het probleem vooral bij de bewegingen en partijen die kritiek hebben op het establishment? Of zijn het net de beleidsmakers binnen datzelfde establishment die door wanbeleid steeds meer ongenoegen creëren? Dat politici niet langer luisteren naar de noden en standpunten van de bevolking met betrekking tot vaak fundamentele politieke vragen is een standpunt dat steeds populairder lijkt te worden.

 

Men denke bijvoorbeeld aan het zogenaamde Verdrag van Marrakesh. Legio opiniepeilingen met betrekking tot migratie tonen aan dat een groot deel van de bevolking negatief staat ten opzichte van grootschalige migratie, gezien de vaak erg nefaste sociale impact op net de meest kwestbare delen van de bevolking. Op Internationaal niveau werd echter bepaald dat migratie binnen Europa vrijer moest worden, en met de noden of meningen binnen onze eigen bevolking werd geen enkele rekening gehouden. Noch een regeringscrisis noch de protestgolf (Mars tegen Marrakesh), die resulteerde in een grote verkiezingsoverwinning voor het Vlaams Belang, hebben uiteindelijk enige noemenswaardige impact gehad op de koers van onze regering. Internationale richtlijnen die vaak vooral het grootkapitaal ten dienste staan zijn een véél grotere prioriteit voor de dames en heren politici dan wat onze eigen bevolking denkt of nodig heeft, dat wordt steeds duidelijker. Is er dan iemand werkelijk nog verbaasd dat een steeds groter deel van onze bevolking zich steeds meer vervreemd voelt van het politieke systeem en de “samenleving” die deze beweert te vertegenwoordigen?

 

Een ander voorbeeld zijn de extreem sociaal ingrijpende en vrijheidsbeperkende maatregelen die werden genomen de afgelopen twee jaren. Een lockdown waarbij het verboden was om in een park samen op een bankje te zitten of waarbij families en vrienden zich helemaal moesten opsplitsen van elkaar blonk uit in een absurdistisch totalitarisme zelden gezien buiten de romans van Kafka en Orwell. Hierop volgde een grootschalige controlemaatschappij waarbij van burgers geëist werd dat we elkaar plotseling zouden controleren. Mensen die de keuze maakte zich niet te vaccineren werd bovendien het leven zo moeilijk mogelijk werd gemaakt, met als hoogtepunt tot het Covid Safe Ticket. Daarbovenop kwam er nog eens de soms erg haat-aanwakkerende propaganda die door een coalitie van media en politici gevoerd werd tegen dit niet insignificant deel van de bevolking. Binnen de bevolking werd het ongenoegen dan ook erg groot, waardoor uiteindelijk tienduizenden mensen van de meest diverse origine samen op straat kwamen in protest tegen deze maatregelen.

 

Voor het eerst liepen rechtse Vlaams Belangers, moslima’s en franstalige hippies vredig samen in dezelfde betoging, omdat er aan de aantasting van de fundamentele vrijheden van de burger dusdanig werd geraakt dat dit alle ideologische en culturele verschillen werden overschreden. Hiermee werd een duidelijk en ondubbelzinning signaal uitgezonden tegen “autoritaire of totalitaire denkbeelden” en ontstond een ongekend gevoel van verbinding doorheen alle lagen van de bevolking. Volgens de framing van de media zijn het hier echter om een louter "extreemrechts" complot. De media gedroeg zich ineens als de meest ongenuanceerde complotdenkers, en wat een volksbewering was werd in hun ficieve realiteit een sluw complot van het Vlaams Belang.  Een jongedame die enige tijd eerder nog vrijwilligerswerk deed in een Ghanees weeshuis, werd door de media omschreven onder dezelfde ideologische noemer als xenophobe totalitaire regimes uit de donkerste pagina’s van de vorige eeuw. Wanneer de waarheid op een dusdanige manier verdraaid en verloochend wordt door de media, hoe kan iemand deze nog vertrouwen?

 

De reactie van onze overheid was niet echt beter. In plaats van te luisteren naar een signaal zo sterk dat het mensen kon verbinden met wat historisch vaak onoverbrugbaar lijkende ideologische of culturele verschillen leken, keek de politiek de andere kant op en schoot zelf op de boodschappers. Is het dan zo vreemd dat de bevolking haar vertrouwen verliest in politieke systeem?

 

Iedereen moet het recht behouden om andere ideologieën verwerpelijk te vinden, zeker als deze het niet zo nauw nemen met de vrijheden en rechten van het individu. Maar als je je vragen stelt bij de standpunten van het politieke establishment van vandaag, dan wordt je vaak zonder enige nuance op de lijn gezet met dergelijke ideologieën. Hierdoor wordt het maatschappelijk debat steeds meer vernauwd en evolueren we razendsnel naar een vorm van totalitarisme dat zo mogelijk nog extremer is dan vormen uit het verleden. Tegelijk faciliteert het de vervreemding van de bevolking ten opzichte van het politiek systeem.

 

Bij Feniks verkiezen wij extremisme te definiëren als “mensen of groepen die een ideologie of religie aanhangen en niet langer kunnen samenleven met andere opvattingen, of die geweld gebruiken tegen de rechtstaat/andere bevolkingsgroepen/politieke tegenstanders”. Dit omvat het niet langer kunnen samenleven met mensen met een andere ideologie of andere principes dan die van onszelf, wat bijdraagt tot verzuring en polarisering. Hier kunnen zowel overheid als media tegenwoordig ondubbelzinnig onder gebracht worden.

 

 De eerste voorwaarde om dergelijke polarisatie te overstijgen is niet te pas of te onpas de term “extremisme” te gebruiken, of je duwt mensen in een zogenaamd "radicaliseringsproces". De vervallenheid (om een term van filosoof Martin Heidegger te gebruiken) om de wereld enkel te beschouwen in context van het waardenkader van slechts een deel van de bevolking dat leeft in het hier en nu, leidt onvermijdelijk tot een radicaliseringsproces bij een groot deel van de bevolking. Het ene is een rechtstreeks gevolg van het andere, een groot potentieel voor gevaarlijke excessen. 

 

Het gebruik van geweld tegen politieke tegenstanders of tegen de rechtstaat is onverdedigbaar. En het is aan de media en politici om op een voldoende verfijnde en genuanceerde manier naar de samenleving te kijken, zodat ze een dergelijke tendens niet voedt maar tegenwerkt. Een portie realiteitszin is nodig om het huidige wanbeleid te evalueren. En zo nu en dan naar de bevolking luisteren zou een goed begin zijn. 

 

Politici laten zich graag definiëren door beschimping hunner politieke tegenstanders. Zo luidt een gezegde: "zeg me wie jouw grootste politieke vijand is en ik zeg me wie jij bent". Dit citaat, geboren uit de vriend-vijandsdistinctie is de kern van het politieke toneel zelf en ligt aan de basis van de huidige polarisering. Het maatschappelijk debat enkel aan politici overlaten zal dit enkel versterken. Daarom is het belangrijker dan ooit dat we zelf onze stemmen laten horen, en dit met nuance en respect naar andere opvattingen toe. Menselijk blijven over meningsverschillen heen hoort een basisprincipe te zijn. En wanneer dit principe ver te zoeken is, moeten we ons ernstig de vraag stellen of we onze samenleving nog wel democratisch mogen noemen...

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.