Iran: het begin van een conflict dat het Westen niet kan winnen

Gepubliceerd op 17 maart 2026 om 19:50

Wanneer het Westen oorlog voert, gebeurt dat zelden met een diep historisch bewustzijn van zijn eigen positie. Het spreekt liever in de taal van de techniek: interventie, afschrikking, stabilisering, regime change, democratisering, preventieve veiligheid. Die woorden geven de indruk dat oorlog een rationeel instrument is, een beheersbare ingreep binnen een grotere strategie, een tijdelijke operatie waarmee men een regionaal probleem oplost. Maar die terminologie verbergt vaak meer dan zij verklaart. Achter die ogenschijnlijk pragmatische taal schuilt doorgaans een dieper patroon: de weigering van het Westen om te erkennen dat het niet langer vanzelfsprekend het centrum van de wereldgeschiedenis vormt.

 

De oorlog tegen Iran moet in dat licht worden begrepen. Officieel gaat het om nucleaire dreiging, regionale veiligheid, bondgenootschappelijke verdediging en terreurbestrijding. In de publieke communicatie worden deze motieven naar voren geschoven alsof zij op zichzelf het conflict verklaren. Toch is het duidelijk dat zij slechts de oppervlakte raken. De inzet is veel groter. Iran is niet zomaar een lastig regime, geen geïsoleerde staat die men met genoeg sancties en luchtaanvallen op de knieën kan krijgen, en ook geen herhaling van de conflicten waarmee de Verenigde Staten en hun bondgenoten de afgelopen decennia vertrouwd zijn geraakt. Wie Iran behandelt alsof het gewoon “de volgende” interventie is na Irak, Afghanistan, Libië of Syrië, vergist zich fundamenteel in de aard van het land, zijn positie in de wereld en de historische fase waarin dit conflict zich afspeelt.

 

Daarom is deze oorlog ook zo gevaarlijk. De aanval op Iran opent niet simpelweg een nieuw front in het Midden-Oosten. Zij opent mogelijk een conflict dat tegelijk geopolitiek, ideologisch, religieus en beschavingshistorisch van aard is. Voor de Verenigde Staten en Israël dreigt dit een oorlog te worden die men niet echt kan winnen, maar die men evenmin zonder zware vernedering of strategisch verlies kan verlaten. Dat is precies wat een conflict existentieel maakt: niet dat het letterlijk over fysiek overleven van staten in de onmiddellijke zin gaat, maar dat de uitkomst ervan de fundamentele positie van de betrokken actoren in de wereldorde kan aantasten. Iran is in die zin geen randgebied, maar een testgeval. De vraag is niet alleen wat er met Iran zal gebeuren, maar of het Westen nog in staat is zijn wil op te leggen aan een grote, diepgewortelde en geopolitiek cruciale tegenstander.

 

De geopolitieke oorzaken van het conflict

Om te begrijpen waarom dit conflict zo’n geladen karakter heeft, moet men eerst de strategische ligging van Iran ernstig nemen. Iran is niet zomaar een staat in het Midden-Oosten; het is een van de meest betekenisvolle geopolitieke knooppunten van Eurazië. Wie de kaart bekijkt, begrijpt dat onmiddellijk. Iran ligt op het kruispunt van het Midden-Oosten, Centraal-Azië, de Kaukasus, Zuid-Azië en de Indische Oceaan. Het grenst aan de Arabische wereld, aan Turkije, aan de Kaspische ruimte en via de zee aan de toegangsroutes van de wereldenergie. Bovendien beheerst het de noordelijke zijde van de Straat van Hormuz, een maritieme doorgang die van uitzonderlijk belang is voor de olie- en gasstromen van de Golf. Wie de Hormuzroute bedreigt, kan niet alleen regionale tegenstanders onder druk zetten, maar ook wereldmarkten opschudden en grootmachten dwingen rekening te houden met zijn positie.

 

Dat alleen al maakt Iran tot meer dan een regionale actor. Maar de betekenis van Iran gaat verder dan olie. Het land is ook een scharnierpunt in de nieuwe Euraziatische infrastructuur die de voorbije jaren en decennia steeds belangrijker is geworden. Voor China is Iran niet enkel een energieleverancier of een diplomatieke partner, maar ook een mogelijke corridor in de bredere verbinding tussen Oost-Azië, Centraal-Azië, het Midden-Oosten en Europa. Voor Rusland vormt Iran een natuurlijke partner in de zuidelijke gordel van Eurazië, juist omdat het land de westerse invloed in die zone kan beperken en tegelijk de opbouw van alternatieve economische en geopolitieke assen mogelijk maakt. Vanuit westers perspectief betekent dit dat Iran niet louter een lastig regime is, maar een mogelijke spil in een postwesterse ordening van het continentale machtscentrum.

 

Hier raakt men aan een oude geopolitieke intuïtie. Reeds lang bestaat binnen de geopolitieke theorie het idee dat Eurazië het centrale wereldtoneel vormt en dat de macht die de continentale samenhang van Eurazië weet te organiseren, een structureel voordeel verwerft tegenover maritieme machten. In verschillende vormen keert dit motief terug: de gedachte dat de controle over het continentale centrum of over de randzones ervan beslissend is voor wereldmacht. Iran bevindt zich niet helemaal in het klassieke “heartland” zoals sommige vroegere geopolitici dat voor ogen hadden, maar het ligt wel op de overgang tussen kerngebied en omringende gordels. Juist daarom is het zo belangrijk. Het is een brug, een buffer, een corridor en een rem tegelijk. Voor een opkomende Euraziatische samenhang is Iran een verbinding. Voor een maritieme hegemonie is het een obstructie.

 

Vanuit dat perspectief is het logisch dat het Westen Iran niet alleen als een ideologische vijand, maar ook als een structureel strategisch probleem ziet. Een autonoom, weerbarstig en duurzaam Iran belemmert de volledige westerse dominantie over het Midden-Oosten en verhindert tegelijk dat de grote Aziatische machten van elkaar geïsoleerd blijven. De oorlog tegen Iran is dan niet eenvoudig een reactie op een specifieke provocatie, maar ook een poging om een geopolitiek knooppunt te neutraliseren vóór het nog sterker wordt ingebed in een niet-westers netwerk van macht en infrastructuur.

 

Israël om de controle van het Rimland

Voor Israël heeft deze kwestie nog een scherpere dimensie. Sinds zijn ontstaan heeft de Israëlische strategische cultuur steeds gedacht in termen van overleven binnen een vijandige of op zijn minst instabiele omgeving. De staat Israël is klein, omgeven door grotere populaties en afhankelijk van technologische superioriteit, mobilisatiecapaciteit en diplomatieke steun van buitenaf. In die context is het begrijpelijk dat Israël een bijzonder gevoelig bewustzijn heeft ontwikkeld voor potentiële regionale hegemonen. Geen enkele sterke vijandige macht in de omgeving mag te groot worden, geen samenhangende gordel van tegenstanders mag zich consolideren, geen actor mag voldoende tijd krijgen om op lange termijn de militaire, politieke en psychologische bewegingsruimte van Israël te beperken.


Iran vormt precies zulk een actor. Niet alleen door zijn eigen capaciteiten, maar ook door het netwerk van bondgenoten, milities en sympathisanten dat het de voorbije decennia in de regio heeft opgebouwd. Daarmee wordt Iran vanuit Israëlisch perspectief niet louter een verre ideologische tegenstander, maar een macht die, rechtstreeks of onrechtstreeks, op meerdere fronten invloed kan uitoefenen. De strijd tegen Iran is voor Israël dus niet alleen een kwestie van afschrikking; het is een poging om een strategische gordel te breken nog voor die definitief in het nadeel van Israël werkt. In bredere zin kan men zeggen dat Israël in het Midden-Oosten wil verhinderen dat zich een geopolitische configuratie vormt waarin het niet langer de overmacht bezit die het de afgelopen decennia, samen met de Verenigde Staten, heeft kunnen uitbouwen.

 

De moderniteit en de wil tot controle

Maar geopolitiek alleen volstaat niet om de volharding van het Westen in dergelijke conflicten te begrijpen. Er is ook een dieper liggende beschavingslogica aan het werk: de moderne westerse verhouding tot macht, techniek en werkelijkheid. Sinds de vroegmoderne tijd heeft het Westen een unieke expansiedrang ontwikkeld, gevoed door wetenschap, techniek, kapitalistische dynamiek en staatsvorming. De natuur werd niet langer gezien als een orde waarin de mens zich moest invoegen, maar als een domein dat kon worden onderzocht, gemeten, geëxploiteerd en beheerst. Dat wereldbeeld is intussen zo vanzelfsprekend geworden dat men nauwelijks nog ziet hoe uitzonderlijk het eigenlijk is. De moderne mens beschouwt de wereld spontaan als iets dat beschikbaar moet zijn voor planning en manipulatie.


Voor Heidegger had deze ontwikkeling echter ook een diep problematische kant. Wanneer de wereld uitsluitend verschijnt als iets dat technisch kan worden beheerd en geëxploiteerd, verliest de mens volgens hem geleidelijk het vermogen om de werkelijkheid nog op andere manieren te ervaren. Alles wordt herleid tot bruikbaarheid, efficiëntie en controle. De natuur wordt grondstof, de samenleving wordt organisatie, en uiteindelijk dreigt zelfs de mens zelf gereduceerd te worden tot een element binnen een technisch systeem. Heidegger waarschuwde dat deze manier van denken de wereld niet alleen verandert, maar ook verarmt: zij sluit andere vormen van betekenis, traditie en verbondenheid met de werkelijkheid steeds verder uit.

 

Hier is de analyse van Heidegger relevant. Zijn punt was niet louter dat er nieuwe machines bestaan, maar dat de moderne techniek een manier van onthullen is, een manier waarop de werkelijkheid aan ons verschijnt. In die technische ontologie verschijnt de wereld als reserve, als Bestand, als een voorraad die op afroep beschikbaar moet zijn. Rivieren worden energiebronnen, bossen worden productiemiddelen, grond wordt exploitatiezone, menselijke gemeenschappen worden beheersbare populaties, en staten worden strategische units binnen een groter systeem. Wanneer dat denken ook de geopolitiek doordringt, wordt het bijna vanzelfsprekend om te menen dat men samenlevingen kan herinrichten zoals men infrastructuur beheert. Een regime wordt dan een onderdeel dat men vervangt wanneer het niet goed functioneert binnen het systeem.

 

Precies daar ligt een van de diepste vergissingen van de voorbije decennia. Het Westen heeft herhaaldelijk gehandeld alsof politieke orden slechts technische configuraties zijn die door voldoende druk, bombardementen, sancties en institutionele engineering kunnen worden herschikt. Irak, Afghanistan en Libië hebben echter aangetoond dat samenlevingen geen neutrale substraten zijn waarop men straffeloos nieuwe instellingen kan projecteren. Zij bestaan uit herinnering, religie, eer, lokale machtsstructuren, historische trauma’s, culturele loyaliteiten en morele horizonten. Zodra men die diepte ontkent, begint men oorlog te voeren alsof men met schema’s en modellen een beschaving kan vervangen. Dat is niet alleen arrogant, maar ook strategisch blind.

 

Ook Spengler werpt hier een hard maar verhelderend licht op. In zijn beschrijving van de westerse of “Faustische” cultuur benadrukt hij de grenzeloze drang van het Westen om het oneindige te doorbreken, steeds verder te reiken, nieuwe ruimten te veroveren en de wereld technisch te onderwerpen. Of men het nu volledig met Spengler eens is of niet, hij zag scherp dat de moderne westerse beschaving een expansieve geest heeft voortgebracht die niet gemakkelijk met grenzen leert leven. In haar late fase, aldus Spengler, verandert cultuur in beschaving: levende symbolische orde maakt plaats voor technische organisatie, grote politieke machtsvorming en onpersoonlijke systemen van beheersing. Wanneer men dit toepast op de huidige wereldpolitiek, krijgt het conflict met Iran een bredere, tragische betekenis. Het Westen reageert niet enkel op een regionale uitdaging; het botst op een historische grens van zijn eigen expansieve logica.

 

Na het einde van de Koude Oorlog leek het even alsof deze grens niet bestond. De liberale democratie werd voorgesteld als universeel eindpunt van de geschiedenis. Men ging ervan uit dat alle ernstige ideologische alternatieven verdwenen waren en dat staten die nog niet geïntegreerd waren in de liberale wereldorde slechts een tijdelijke achterstand vertegenwoordigden. Dat optimisme was niet alleen politiek, maar ook antropologisch: men nam aan dat economische ontwikkeling, technologische modernisering en institutionele hervorming vroeg of laat overal tot vergelijkbare politieke vormen zouden leiden. Wat daarvan overblijft, is vandaag bijzonder weinig. De wereld blijkt geen uniforme liberale planeet te worden, maar een arena van verschillende beschavingsblokken, historische tradities en machtsmodellen.

 

Iran is juist daarom zo’n lastig geval voor het Westen. Het is niet zomaar een autoritair systeem dat nog niet “bij” is, maar een staat die voortkomt uit een revolutionaire breuk met de westerse moderniteit zoals die in de Iraanse context werd ervaren. De revolutie van 1979 was niet enkel een machtsgreep, maar een poging om een alternatief politiek principe te formuleren waarin religieuze legitimiteit, anti-imperialistische houding en nationale soevereiniteit met elkaar werden verbonden. Men kan dit regime om vele redenen bekritiseren, maar men kan het niet begrijpen als men het voorstelt als een puur toevallig of oppervlakkig product van repressie. Het berust op een eigen historische synthese, hoe problematisch of gewelddadig die ook kan zijn.

 

De misvattingen over Iran

Daarmee komen we bij een cruciale misvatting in veel westerse analyses: de onderschatting van de religieuze en symbolische diepte van de Iraanse staat. Het sjiisme kent een krachtige traditie van lijden, onrecht, getuigenis en martelaarschap. Het verhaal van Karbala, de figuur van Hoessein en de herinnering aan onrechtvaardige heerschappij hebben in de sjiitische wereld een blijvende spirituele en politieke lading. In de Iraanse revolutie werd dit repertoire niet simpelweg herhaald, maar gemobiliseerd als bron van legitimiteit en volharding. Dat betekent niet dat alle Iraniërs vrome revolutionairen zijn, of dat de religieuze legitimiteit van het regime onaantastbaar is. Het betekent wel dat een deel van de staatsideologie en van de mobilisatiekracht niet louter uit machtspolitiek bestaat, maar uit een moreel-religieuze taal die offers, weerstand en historische missie betekenis geeft.


Juist daarom is het gevaarlijk wanneer westerse beleidsmakers menen dat het regime eenvoudig zal instorten zodra de juiste druk wordt uitgeoefend. Die verwachting is mede gevoed door het beeld dat veel Iraanse oppositiestemmen in het Westen verspreiden. Uiteraard bestaan er in Iran diepe spanningen. Er is onvrede over corruptie, economische stagnatie, nepotisme, morele controle, regionale achterstelling en repressie. Er zijn protesten geweest van stedelijke jongeren, van vrouwen, van arbeiders, van studenten, van handelaars en van etnische minderheden die zich cultureel of economisch gemarginaliseerd voelen. Koerden, Baluchen, Arabieren in Khuzestan en andere groepen ervaren vaak dat zij niet op gelijke wijze delen in macht, erkenning of ontwikkeling. Deze spanningen zijn reëel en mogen niet worden weggewuifd.


Maar uit het bestaan van spanningen volgt nog niet het bestaan van een coherente oppositie die in staat is een staat van deze omvang en complexiteit te vervangen door een stabiele nieuwe orde. Dat is precies de denkfout die in veel westerse regime-changefantasieën wordt gemaakt. Men stelt vast dat een regime intern gehaat of betwist wordt door veel groepen, en concludeert vervolgens dat deze groepen vanzelf één politieke gemeenschap zullen vormen zodra het regime valt. De geschiedenis toont doorgaans het tegendeel. Interne oppositie tegen een gevestigde macht is zelden homogeen. Economische demonstranten willen niet noodzakelijk hetzelfde als seculiere intellectuelen; regionale minderheden streven niet noodzakelijk naar dezelfde uitkomst als monarchisten in ballingschap; liberale hervormers, separatistische milities, conservatieve bazaarbelangen en radicale anti-systeemgroepen delen vaak enkel hun afkeer van het centrum, niet hun visie op wat er daarna moet komen.


Dat punt is beslissend voor Iran. Ja, er zijn vele breuklijnen. Ja, er is economische frustratie, onvrede over corruptie, verzet tegen het morele en politieke toezicht van de staat, en spanningen tussen tegen de “Voogdij van de Rechtsgeleerde” of het systeem van de Ayatollah. Maar wie gaat Iran leiden als het huidige regime instort? Welke oppositie beschikt over de legitimiteit, de organisatie, het geweldsmonopolie en de bestuurlijke capaciteit om de staat bijeen te houden? Wie kan tegelijk de Perzische kerngebieden, de minderheidsregio’s, de grootsteden, de veiligheidsapparaten, de economische belangen en de religieuze netwerken in één nieuw evenwicht opnemen? Op die vragen bestaat geen eenvoudig antwoord. Het is zelfs goed mogelijk dat het omverwerpen van het regime niet zou leiden tot een vrij en stabiel Iran, maar tot een langdurige strijd tussen concurrerende elites, milities, buitenlandse sponsors en regionale identiteiten. Met andere woorden: niet per se bevrijding, maar de premisse van sectair of regionaal geweld dat meerdere decennia kan aanhouden.


Dat scenario is allesbehalve denkbeeldig. Men moet slechts kijken naar de recente geschiedenis van staten waarin een sterk, zij het repressief centrum werd vernietigd zonder dat er een geloofwaardige opvolgingsorde klaarstond. De val van een regime betekent niet automatisch de geboorte van een natie. Soms betekent zij net de ontbinding van een nog functionerende, zij het harde, structuur die allerlei tegenstellingen voorlopig bijeenhield. In zo’n situatie komen oude breuklijnen naar boven: etnische rivaliteit, regionale marginalisering, religieuze scheidslijnen, clientelistische netwerken en buitenlandse inmenging. Het resultaat kan een conflict zijn waarin niemand echt wint, maar waarin een hele samenleving gedurende jaren of decennia wordt uitgeput.

 

Een moeilijk te controleren geografie

Iran is bovendien geografisch en historisch bijzonder moeilijk te breken én te bezetten. Het land bestaat niet uit één open vlakte of één centraal machtsgebied dat na een eerste militaire nederlaag meteen volledig beheersbaar wordt. De Iraanse ruimte is een complex geheel van bergketens, plateaus, woestijnen, stedelijke concentraties en perifere regio’s. Die geografie heeft in de geschiedenis herhaaldelijk bewezen dat zij invallers vertraagt, versnippert en uitput. Van antieke imperia tot moderne mogendheden hebben vele machten ontdekt dat Perzië veel gemakkelijker te schokken is dan te beheersen. Zelfs wanneer een buitenlandse actor er militair succes boekt, begint daarna pas de echte moeilijkheid: hoe behoudt men controle over een uitgestrekt, trots, bewapend en historisch zelfbewust land?

 

Daar komt nog bij dat Iran niet Afghanistan is, en zeker niet in de zin waarin sommige vergelijkingen gemakshalve worden gemaakt. De Iraanse staat beschikt over veel zwaardere institutionele, militaire en bureaucratische structuren dan de Taliban ooit hadden vóór hun overwinning. De Revolutionaire Garde is geen losse opstandelingenbeweging, maar een omvangrijk veiligheids-, ideologisch en economisch complex met vertakkingen doorheen de staat en de samenleving. Indien het regime in zijn huidige vorm onder zware druk zou bezwijken, betekent dat niet dat de weerbaarheid verdwijnt. Het is goed mogelijk dat juist dan een nog hardere, meer gefragmenteerde en moeilijker te controleren vorm van gewapend verzet ontstaat.

 

Het gevaar van een existentiële oorlog

Het conflict krijgt nog een andere gevaarlijke laag wanneer men de religieuze dimensie aan de kant van de Verenigde Staten en Israël in rekening brengt. In Europa wordt de Amerikaanse steun aan Israël vaak hoofdzakelijk begrepen in termen van strategie, lobbywerking of gedeelde waarden. Dat speelt allemaal mee, maar voor een belangrijk deel van de Amerikaanse evangelische wereld heeft Israël ook een religieuze en eschatologische betekenis. Binnen het christelijk zionisme wordt de terugkeer van het Joodse volk naar het land Israël en het voortbestaan van de Joodse staat gezien als onderdeel van een goddelijk heilsplan. Israël is in die visie niet zomaar een bondgenoot, maar een teken van de eindtijd en een noodzakelijke schakel in een historisch-religieus scenario dat uiteindelijk uitmondt in de wederkomst van Christus.

 

Dat maakt de steun aan Israël voor deze stromingen bijzonder intens. Zij steunen Israël niet alleen omdat het strategisch nuttig zou zijn, maar omdat zij menen dat de geschiedenis zelf een heilige richting heeft en dat de bescherming van Israël daarin een religieuze plicht vormt. Wanneer zo’n overtuiging politieke invloed krijgt binnen een supermacht, verandert de aard van de besluitvorming. Het conflict wordt dan niet langer uitsluitend beoordeeld op basis van kosten, risico’s en evenwichten, maar ook op basis van morele en zelfs eschatologische betekenissen. Aan de Israëlische kant bestaan op hun beurt religieuze en nationalistische stromingen die het land niet louter als een staat, maar als een historisch en heilig project beschouwen. Wanneer zulke overtuigingen samenvallen, ontstaat een bijzonder explosieve mengeling: geopolitiek krijgt religieuze diepte, en religieuze overtuiging krijgt strategische macht.

 

In zo’n context is het niet moeilijk te begrijpen waarom het conflict met Iran de neiging heeft een existentiële vorm aan te nemen. Voor de Verenigde Staten zou een snelle terugtrekking of een zichtbare mislukking een zware aantasting van hun geloofwaardigheid betekenen. Niet alleen zouden zij dan hebben gefaald in het neutraliseren van een hardnekkige vijand, zij zouden ook aan bondgenoten en rivalen tonen dat de Amerikaanse macht niet langer automatisch in staat is een regionale orde naar haar hand te zetten. Voor Israël staat veel op het spel omdat een overlevend en gesterkt Iran het bewijs zou leveren dat de Israëlische afschrikking grenzen kent. Voor Iran zelf wordt het conflict haast vanzelf een strijd voor overleving, soevereiniteit en historische eer. Een land dat een dergelijke aanval overleeft, zal daaruit niet de conclusie trekken dat het de confrontatie moet matigen, maar veeleer dat het zijn afschrikking, zijn bondgenootschappen en zijn capaciteit tot vergelding verder moet versterken.

 

Hier wordt ook Toynbee relevant. Zijn idee van “challenge and response” biedt een bruikbaar kader om te begrijpen hoe beschavingen en grote politieke gemeenschappen reageren op fundamentele uitdagingen. Beschavingen groeien volgens hem niet doordat zij in rust verkeren, maar doordat zij creatief antwoorden op druk, crisis en bedreiging. Wanneer het Westen vandaag probeert een oude wereldorde te behouden met middelen die steeds minder overtuigend werken, is het niet ondenkbaar dat tegenstanders zoals Iran hun identiteit juist versterken in reactie op die druk. Wat voor het Westen bedoeld is als neutralisering, kan door de ander worden ervaren als bevestiging van zijn historische missie. In dat opzicht kan oorlog de tegenstander soms eerder ideologisch verharden dan politiek vernietigen.

 

Dat is het tragische element van de huidige geopolitiek. Het Westen gebruikt de instrumenten van zijn oude hegemonie om een nieuwe multipolaire realiteit tegen te houden, maar precies daardoor versnelt het mogelijk de overgang naar die nieuwe realiteit. Elke mislukte interventie, elke overschatting van militaire maakbaarheid, elke onderschatting van de tegenstander en elke nieuwe escalatie ondermijnt verder het aura van vanzelfsprekende dominantie. De oorlog tegen Iran dreigt daarom meer te worden dan een regionaal conflict. Zij kan uitgroeien tot een moment waarop zichtbaar wordt dat het Westen nog wel over enorme macht beschikt, maar niet langer over een onbetwiste capaciteit om politieke uitkomsten te dicteren.

 

De grens van het Westen

De fundamentele vraag is dus niet enkel of Iran militair kan worden beschadigd. Dat kan ongetwijfeld. De vraag is of een duurzame politieke overwinning mogelijk is. Kan men het land dwingen tot onderwerping zonder een oorlog te ontketenen die de regio, de energiemarkt en de relaties tussen grootmachten destabiliseert? Kan men het regime breken zonder een vacuüm te creëren waarin milities, etnische conflicten, sektarische spanningen en buitenlandse proxies het land voor tientallen jaren verscheuren? Kan men een aanval voeren op een beschavingsstaat met een sterke historische identiteit, een complexe interne structuur en een geopolitiek gewicht dat grootmachten aantrekt, zonder de confrontatie veel groter te maken dan aanvankelijk bedoeld?

 

Op al deze vragen luidt het eerlijke antwoord dat er geen eenvoudige positieve zekerheid bestaat. Integendeel, alles wijst erop dat de oorlog tegen Iran geen duidelijke strategische uitweg heeft. Een snelle overwinning is onwaarschijnlijk, een langdurige bezetting is bijna ondenkbaar, een regimewissel zonder chaos is uiterst onzeker en een terugtocht zonder gezichtsverlies is politiek bijzonder moeilijk. Dat is precies waarom dit conflict zo gevaarlijk is. Het Westen heeft zich mogelijk vastgezet in een oorlog die te groot is om te winnen en te belangrijk is om zonder zware schade te verlaten.

 

Misschien ligt daarin de diepste betekenis van deze oorlog. Niet dat het onmogelijk is om vernietiging te brengen, maar dat zij een grens onthult. De grens van het idee dat de wereld nog steeds kan worden beheerd vanuit één centrum. De grens van de overtuiging dat samenlevingen van buitenaf kunnen worden hertekend alsof zij technische structuren zijn. En uiteindelijk ook de grens van de westerse macht zelf. Iran is in dat opzicht niet alleen een doelwit, maar een spiegel. In die spiegel ziet het Westen misschien voor het eerst sinds lange tijd niet enkel een vijand, maar ook het einde van zijn eigen vanzelfsprekendheid.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.