Jürgen Habermas verdient een ode. Niet alleen als denker van formaat, niet alleen als erudiet verdediger van het filosofische gesprek, maar zonder meer als één van de allergrootste filosofen van na de Tweede Wereldoorlog. Zijn oeuvre heeft generaties gevormd, zijn begrippen hebben het intellectuele landschap van Europa mee afgebakend, en zijn inspanning om de moderniteit in haar crisis te begrijpen blijft indrukwekkend. Ook wie uiteindelijk niet met hem meegaat, kan niet anders dan erkennen dat Habermas een figuur is van het hoogste filosofische gehalte: ernstig, systematisch, moreel gedreven en intellectueel onvervangbaar.
Voor Feniks is Habermas daarom geen tegenstander die men achteloos opzijschuift. Integendeel. Hij is een denker met wie men zich moet meten. Juist omdat hij de laatmoderne samenleving zo scherp heeft geanalyseerd, juist omdat hij de aantasting van gemeenschap, de vermarkting van het leven en de uitholling van het publieke gesprek zo indringend heeft beschreven, is hij een filosoof die respect afdwingt. Er zijn wezenlijke verschillen tussen zijn visie en de onze, maar er zijn ook duidelijke raakvlakken die erkenning verdienen.
Verdiensten van Habermas
Op een eerste en fundamenteel niveau ligt de verwantschap in het inzicht dat politiek nooit louter over instellingen, wetten of verkiezingen gaat, maar altijd ook over de geestelijke en culturele voorwaarden van het samenleven. Habermas heeft op magistrale wijze begrepen dat een politieke orde slechts duurzaam kan zijn wanneer zij gedragen wordt door een levende publieke sfeer, door een cultuur van gesprek, door burgers die méér zijn dan passieve consumenten van macht. Ook Feniks vertrekt van die overtuiging. Politiek wordt niet enkel gevormd in parlementen, maar eerst in de geesten van mensen, in hun taal, in hun zelfbegrip, in hun gevoel voor waarheid, gemeenschap en bestemming. Waar de ene spreekt over de publieke sfeer en communicatieve rationaliteit, en de andere over metapolitiek en culturele wedergeboorte, ligt onder beide intuïties hetzelfde besef: zonder geestelijke vorming is politieke vernieuwing onmogelijk.
Even betekenisvol is daarnaast de kritiek op de technocratische ontsporing van de moderne samenleving. Habermas heeft helder gezien dat een orde die zich enkel legitimeert via procedures, expertise, management en bestuurlijke noodzaak haar eigen morele fundamenten begint uit te hollen. Wanneer politiek gereduceerd wordt tot bestuurstechniek, wanneer het algemeen belang wordt vervangen door administratieve rationaliteit, verliest de burger elke werkelijke band met het publieke gebeuren. Ook Feniks verzet zich tegen die evolutie. De technocratische mens, losgezongen van traditie, gemeenschap en betekenis, wordt herleid tot object van sturing. Dat is één van de grote kwalen van onze tijd. Habermas heeft die kwaal benoemd en er de ernst van ingezien. Daarin verdient hij blijvende erkenning.
Niet minder belangrijk is voorts de diagnose van de ontbinding van het sociale weefsel. Habermas heeft de moderne mens niet opgevat als een triomferend vrij individu dat zich eindelijk van alle banden heeft bevrijd, maar als een wezen dat dreigt te worden losgesneden van de verbanden waarin betekenis ontstaat. De uitholling van gedeelde leefwerelden, de afbraak van bemiddelende structuren, de versmalling van menselijke relaties tot functionele interacties: dit alles behoort tot zijn belangrijkste inzichten. Ook voor Feniks is dat een centraal punt. De mens leeft niet van abstracte vrijheid alleen. Hij leeft van inbedding, van overgeleverde betekenissen, van gedeelde vormen, van loyaliteit en nabijheid. Waar die verdwijnen, verschijnt geen hoger soort autonomie, maar leegte, eenzaamheid en verwarring. Dat Habermas deze tragiek ernstig heeft genomen, maakt hem groot.
Ten slotte raakt ook zijn economische kritiek aan een gevoelig punt dat Feniks ten volle deelt: het scherpe besef van de negatieve gevolgen van de ‘vermarkting’ van de samenleving. Habermas heeft begrepen dat marktlogica nooit onschuldig blijft wanneer zij zich uitbreidt naar alle domeinen van het leven. Zodra de economische vorm de sociale, culturele en morele ruimte gaat domineren, verschraalt de mens. Wat niet in geld, nut of efficiëntie kan worden uitgedrukt, verliest dan langzaam zijn plaats. Feniks deelt die kritiek ten volle. Een samenleving die zichzelf laat bepalen door koopkracht, concurrentie, consumentisme en financiële abstractie vernietigt uiteindelijk haar eigen menselijke basis. Dat Habermas die ontwikkeling niet heeft gevierd maar bestreden, maakt hem tot een bondgenoot in diagnose, ook wanneer wij hem niet volgen in zijn remedie.
En juist daar ligt het principiële verschil.
De visie waarin Feniks en Habermas uiteindelijk uiteenlopen, betreft vooral de bron van sociale samenhang. Habermas zocht die steeds meer in een postnationale vorm van binding, in een procedureel burgerschap, in een abstracte politieke identiteit die boven de historische, culturele en beschavingsmatige gemeenschap zou uitstijgen. Daar ligt voor ons de grens. Want een postnationale identiteit verarmt de mens eerder dan hem te verheffen. Zij isoleert hem, haalt hem weg uit de levende verbanden waarin zijn wezen gevormd wordt, en herleidt hem uiteindelijk tot een atomistisch individu dat nog slechts door juridische en procedurele structuren bijeen wordt gehouden. Wat men voorstelt als emancipatie, dreigt zo te eindigen als ontworteling.
Ook het universalisme dat hiermee gepaard gaat, blijft voor Feniks problematisch. Niet omdat wij iedere universele horizon zouden afwijzen, maar omdat een abstract universalisme al te vaak de vrijheid van volkeren, culturen en concrete mensen ondergraaft. Wat zich aandient als neutraal en menselijk in het algemeen, blijkt in de praktijk dikwijls een macht te zijn die verschillen nivelleert, tradities ontbindt en eigenheden delegitimeert. Het gevaar bestaat dat onder de vlag van het universele precies datgene wordt vernietigd wat mensen werkelijk draagt: hun geschiedenis, hun gemeenschap, hun erfgoed, hun symbolische wereld. Voor Feniks is de mens nooit louter mens in het abstracte, maar altijd ook kind van een taal, een plaats, een traditie en een beschaving.
Toch doet dit meningsverschil niets af aan de grootheid van Habermas. Integendeel. Juist omdat hij terecht de tragische tendens van gemeenschap naar gezelschap heeft weergegeven, juist omdat hij de negatieve gevolgen van de vermarkting van de samenleving met grote scherpte heeft blootgelegd, blijft hij een filosoof die men ernstig moet nemen. Alleen nam Habermas op beslissende ogenblikken de vlucht vooruit in een postnationale, kunstmatige identiteit die hij erfde uit de Frankfurter Schule. Dat pluraliteit getemd kan worden louter via procedures, zal de toekomst mogelijk nog ontmaskeren als een gevaarlijk naïeve gedachte. Maar zelfs waar hij dwaalde, dwaalde hij op hoog niveau. En in een tijdperk van intellectuele oppervlakkigheid is ook dat al een vorm van grootheid.
Jürgen Habermas verdient daarom respect, studie en eerbetoon. Niet omdat hij het laatste woord sprak, maar omdat hij de crisis van onze beschaving werkelijk ernstig nam. Niet omdat hij alle antwoorden gaf, maar omdat hij de juiste vragen stelde. En wie vandaag nog nadenkt over de toekomst van Europa, over democratie, over gemeenschap, over markt en menselijkheid, kan onmogelijk om hem heen.
Reactie plaatsen
Reacties