Een driedelig artikel over hedendaagse machtsverschuivingen en de onmacht van de
nationale politiek.
Deel 1: Nationale illusies onder globale krachten
Politici en kiezers spreken graag over nationale problemen als migratie, onveiligheid en begroting alsof die louter door binnenlands beleid te sturen zijn. Maar achter deze thema’s op het nationale toneel gaan wereldwijde krachten schuil. Onze grenzen, straten en staatskas worden beïnvloed door oorlogen, handelsstromen en financiële machtsblokken ver buiten ons gezichtsveld. Het gevolg is dat partijpolitici vaak de symptomen bevechten – of er electoraal gewin uit halen met stoere uitspraken – zonder de diepere oorzaken te erkennen. Dit leidt tot een politiek van illusie en onmacht, waarin harde binnenlandse retoriek botst op de werkelijkheid van een veranderende wereldorde.
Neem het migratievraagstuk. Rechtse partijen beloven strengere grenzen en “eigen volk eerst”, linkse partijen hameren op humane opvang – maar beiden missen dat migratiestromen grotendeels worden aangedreven door geopolitiek en economie. Conservatieve regeringen die beloven de instroom te stoppen, veranderen vaak weinig aan de feiten. Zo voerde de nationalistische PiS-regering in Polen een fel anti-immigratiediscours, maar ondertussen groeide het aantal buitenlandse werknemers in het land explosief. In 2015 verstrekte Polen nog enkele tienduizenden werkvergunningen aan niet-EU-immigranten; in 2021 waren dat er meer dan een half miljoen. Zelfs los van de recente Oekraïense vluchtelingenstroom kwamen honderdduizenden arbeidsmigranten uit landen als India, Bangladesh en Turkije Polen binnen. Ironisch genoeg heeft Polen onder PiS meer migranten toegelaten dan eender welk ander EU-land, hoewel de regering zich presenteert als beschermer van nationale homogeniteit. Het voorbeeld laat zien dat mondiale arbeidsmarkten en conflicten – van Filipijnse werkzoekenden tot oorlogsvluchtelingen – veel sterker bepalend zijn voor migratiecijfers dan een stoer nationaal migratiebeleid.
Ook in Nederland zagen we iets gelijkaardigs. Ondanks jaren van harde taal over immigratie – denk aan de retoriek van Geert Wilders en de ruk naar rechts in het debat – bereikte het aantal nieuwkomers onlangs recordhoogtes. In 2022 groeide de bevolking van Nederland meer dan ooit tevoren, grotendeels door buitenlandse instroom. Onderhuids spelen oorlog (zoals die in Oekraïne, die tienduizenden vluchtelingen naar Nederland dreef) en een krappe arbeidsmarkt die buitenlandse krachten aantrekt. Geen enkele sloganeske belofte in verkiezingstijd kon die trend keren, want ze ontspringen aan factoren buiten Den Haag. Dit toont de grenzen van partijpolitieke controle: nationale regeringen, hoe ambitieus ook, kunnen globale migratiedruk niet met één druk op de knop stoppen zonder de onderliggende wereldproblemen aan te pakken.
Ook het thema onveiligheid ontsnapt aan simplistische binnenlandse recepten. Criminaliteit en terreur hebben vaak internationale wortels. Illegale wapen- en drugshandel volgen wereldwijde netwerken; lokale bendes vullen het vacuüm dat ontstaat door instabiliteit elders. Zo bracht de implosie van Libië na Westers ingrijpen wapens in omloop tot op onze straten, en zorgden jihadistische opleidingskampen in het Midden-Oosten voor een nieuwe generatie terroristen die ook Europa zullen teisteren de komende decennia. Nationale partijen kunnen meer blauw op straat beloven of strengere straffen eisen, maar de bron van de dreiging ligt regelmatig buiten de landsgrenzen – in mislukte staten, oorlogseconomieën en ideologische strijdtonelen die met elkaar verknoopt zijn. Zonder geopolitieke visie blijft het bij dweilen met de kraan open.
Zelfs iets technocratisch ogend als een begrotingsdiscipline staat onder invloed van mondiale systemen. Politici debatteren over pensioenhervormingen en uitgavenplafonds, maar de speelruimte wordt mede bepaald door wereldwijde financiële markten, EU-regels en dollarschommelingen. Een land als België kan harde verklaringen afleggen over zuinigheid, maar tegelijk dicteert de NAVO dat de defensie-uitgaven flink omhoog moeten. Zo juichte de Vlaams-nationalistische en neoliberale N-VA ooit streng budgettair beleid toe, maar in de federale regering keurde ze forse miljardenuitgaven goed voor Amerikaanse gevechtsvliegtuigen (de F-35). Ondanks een patriottisch discours gaf men prioriteit aan NAVO-verplichtingen en trans-Atlantische loyaliteit boven een zuiver onafhankelijke koers of zuinigheid. Hier wringt de kloof tussen woord en daad: nationale retoriek botst op geopolitieke realiteit.
De rode draad in al deze voorbeelden is een Westers “slopulisme” – een term die staat voor slordig populisme. Het betreft politici die harde taal uitslaan over nationale zelfbeschikking, maar wier beleid incoherent en halfslachtig blijft zodra mondiale krachten inwerken. Slopulisme herken je aan de stoere slogans zonder structurele veranderingen: grenzen dicht roepen maar arbeidsmigranten binnenhalen via achterdeuren; traditionele waarden prediken maar strategische autonomie opgeven; de EU bekritiseren maar intussen alle Amerikaanse wensen volgen. Het Westen kent intussen vele slopulistische leidersfiguren: ze kapen reële zorgen bij de bevolking (over migratie, veiligheid, identiteit) maar verzaken een geopolitieke langetermijnstrategie om die zorgen bij de wortel aan te pakken. Het resultaat is beleid uit de losse pols – ad hoc maatregelen, symbooldossiers – terwijl de onderstroom van globale verandering onverminderd verdergaat. Slopulisme sust de kiezer met een vals gevoel van daadkracht, maar versterkt uiteindelijk de patstelling: nationale problemen blijven bestaan of verergeren, omdat men de mondiale verbanden blijft negeren.
Sacha Vliegen
Reactie plaatsen
Reacties