Een driedelig artikel over hedendaagse machtsverschuivingen en de onmacht van de nationale politiek.
Deel 2: Thema-verontwaardiging en geopolitieke kortzichtigheid
De waan van de dag in de Westerse politiek focust vaak op brandende thema’s – denk aan islamistisch terrorisme, migranten aan de grens, of een incident rond migrantencriminaliteit. Een begrijpelijke verontwaardiging hierover slaat echter al te vaak om in geopolitiek kortzichtige keuzes. Het patroon is bekend: uit angst en woede voor een dreiging ver weg, steunen Westerse landen drastische ingrepen zonder de lange termijn te overzien. Men wil “het kwaad bij de bron smoren” – desnoods met bommen en regimewissels – maar zaait zo de kiemen voor nog grotere problemen later.
Zo leidde de terechte afkeer van islamitisch terrorisme na 9/11 tot een woeste “War on Terror”: de invasie van Afghanistan en later Irak moesten radicale islamisten uitschakelen en democratie brengen. In werkelijkheid werden door die militaire interventies bestaande regimes omvergeworpen, waarna een machtsvacuüm en chaos ontstonden waarin extremisme juist welig tierde. Blindheid voor complexe regionale realiteiten – de rol van stamverbanden, sektaire tegenstellingen, de bufferfunctie van sterke leiders – maakte dat het Westen dacht met militair ingrijpen orde te scheppen, terwijl het net het tegenovergestelde bereikte. Irak is hiervan het schoolvoorbeeld: het Ba’ath-regime van Saddam Hoessein was weliswaar dictatoriaal, maar na de Amerikaanse invasie viel het land uiteen in sektarisch geweld. Jihadistische groeperingen zoals ISIS grepen hun kans en een groot deel van de Iraakse bevolking sloeg op de vlucht. Wat begon als een ideologische kruistocht tegen “de as van het kwaad” resulteerde in jarenlange instabiliteit, burgeroorlog en een vluchtelingencrisis die tot ver buiten Irak voelbaar werd.
Hetzelfde pijnlijke scenario herhaalde zich in Libië en Syrië. Westerse regeringen, gedreven door verontwaardiging over tirannie of islamisme, kozen de zijde van regimeverandering zonder plan voor ‘de morgen erna’. De NAVO-interventie in Libië in 2011, gelegitimeerd door humanitaire taal, schakelde Khadaffi uit maar liet een failed state achter. In de daaropvolgende anarchie kwamen mensensmokkelaars, milities en extremisten op – een vrijplaats voor terrorisme én een open deur voor massale migratie richting Europa. Waar Libië ooit als buffer diende in de migratieroute over de Middellandse Zee, werd het na Westerse inmenging een hoofdroute voor bootvluchtelingen. Duizenden Afrikaanse migranten verdronken in de jaren erna op weg naar Europa, en de Europese staten worstelden met de opvang van hen die het wel haalden. Het Westen had zichzelf in de voet geschoten: door kortetermijndenken – “haal de dictator neer en het probleem is weg” – creëerde het een nog groter migratie- en veiligheidsprobleem.
In Syrië werd de kortzichtigheid nog duidelijker zichtbaar. Toen in 2011 protesten uitbraken tegen Assad, schaarden Westerse en ook Golfstaten zich snel achter de oppositie, roepend dat Assad “moest verdwijnen”. Er volgde een jarenlang proxy-conflict waarbij Westerse inlichtingendiensten en bondgenoten rebellen bewapenden – sommige van die rebellen bleken jihadisten te zijn (en dit wist men maar al te goed). Het idee was dat Assad’s val vrijheid zou brengen. In realiteit explodeerde Syrië in een gruwelijke burgeroorlog. De bevolking werd vermorzeld tussen het regime, IS-barbarij en talloze milities zoals die van ene Al Jolani. Miljoenen Syriërs ontvluchtten hun steden, eerst naar buurlanden en daarna in grote stromen naar Europa (denk aan de vluchtelingencrisis van 2015). Westerse politici die fel waarschuwen voor de “islamisering” van Europa, vergaten gemakshalve dat hun eigen steun aan Syrische regime change had bijgedragen aan de chaos die al die vluchtelingen voortbracht. De toegenomen aanwezigheid van Syriërs – en ook Irakezen, Afghanen – in Europa is onlosmakelijk verbonden met de interventies die men zogezegd uit principe steunde. Geopolitieke kortzichtigheid heeft een boemerangeffect: de ellende die men elders aanricht of verergert, keert als humanitaire en veiligheidscrisis terug naar de Europese poort.
Een ander heikel thema waarbij morele verontwaardiging tot bijziende politiek leidt, is de kwestie van islamisme versus de Palestijnse zaak. In veel rechtse kringen heerst een instinctieve afwijzing van het Palestijnse streven naar staat en rechtvaardigheid. Men ziet het louter door een veiligheidsbril: Palestijnen worden geassocieerd met islamitisch extremisme (Hamas-terrorisme bijvoorbeeld) en men kiest daarom resoluut de kant van Israël als bolwerk van het Westen in het Midden-Oosten. Dit zwart-witdenken – Israël goed, Palestijnen fout – ontkent de complexe historische context en de gevolgen van decennialange beleidskeuzes. Rechtse partijen die blind de hardlijn van Israël steunen, weigeren te erkennen hoe Westerse interventies en partijdigheid de regio hebben gedestabiliseerd. De Palestijnse kwestie is immers niet los te zien van meer dan zeventig jaar geopolitieke inmenging: van de koloniale deling en de Koude Oorlog tot de onvoorwaardelijke Amerikaanse steun aan Israël, vaak tegen elke resolutie van het internationaal recht in.
Door Palestijnse grieven weg te wuiven, blijft men ook blind voor een bredere realiteit: de woede om Palestijns onrecht is al generaties lang een drijvende kracht achter radicalisering in de moslimwereld. Terroristische bewegingen van Al Qaida tot IS hebben handig ingespeeld op beelden van Palestijns lijden om aanhang te werven en het Westen als vijand te brandmerken. Europese landen die zonder meer elk Israëlisch optreden steunen en Palestijnse noden negeren, dragen bij aan een voedingsbodem voor extreem gedachtegoed in hun eigen minderheden en in nabijgelegen landen. Daarnaast zet de Westerse houding rond Palestina veel bruggen in de Arabische en bredere islamitische wereld op het spel: men ondermijnt eigen geloofwaardigheid in de ogen van landen die oprecht lijden onder conflict en vluchtelingenstromen in die regio. De rechtse verontwaardiging over islamisme dreigt zo selectief te worden toegepast: men keurt hard militair optreden en regimewissels goed zogenaamd om extremisme te bestrijden, maar de diepe onvrede die aan dat extremisme ten grondslag ligt (zoals de Palestijnse tragedie of armoede en dictatuur in landen van herkomst) wordt genegeerd. Dat is strategisch kortzichtig. Op de lange termijn leidt het wegkijken van die grondoorzaken tot méér onstabiliteit en dus méér migratie en dreiging – precies wat men dacht te voorkomen.
Een werkelijk realistische aanpak zou erkennen dat alles samenhangt. Wie terreur wil indammen, moet ook de voedingsbodem van frustratie en wanhoop droogleggen, in plaats van telkens nieuwe oorlogen te ontketenen. Wie migratie wil beperken, moet niet enkel de poorten sluiten maar voorkomen dat hele regio’s onleefbaar worden door conflict. Het ontbreekt echter aan die lange adem bij slopulistische beleidsmakers. Zij teren op thema-specifieke verontwaardiging – vandaag tegen islamitische hoofddoeken, morgen tegen asielboten – maar zien niet dat hun ad-hoc reacties de cyclus van oorzaak en gevolg in stand houden. Men bestrijdt symptomen (terroristen, bootvluchtelingen) terwijl men de ziekte (instabiliteit, onrecht) verergert met kortetermijnoplossingen. Zo dreigt de Westerse politiek te verzanden in een permanente staat van paniekvoetbal: steeds nieuwe crises blussen die men zelf mede heeft aangewakkerd.
Sacha Vliegen
Reactie plaatsen
Reacties