Een driedelig artikel over hedendaagse machtsverschuivingen en de onmacht van de nationale politiek.
Deel 3: Het einde van unipolariteit en de terugkeer van de geschiedenis
Terwijl het Westen binnenlands moddert en reageert, voltrekt zich wereldwijd een verschuiving van historisch formaat. We komen uit een periode van Amerikaans eenheidsgezag – het unipolaire tijdperk na 1989 – en betreden opnieuw een multipolaire wereld. De Amerikaanse hegemonie, ooit ogenschijnlijk onaantastbaar, wordt uitgedaagd door opkomende machten en alternatieve machtsblokken. Het mooie sprookje van Francis Fukuyama’s “The End of History” – de gedachte dat na de Koude Oorlog de liberale democratie definitief zou zegevieren en grote ideologische conflicten verleden tijd waren – is in duigen gevallen. De geschiedenis is terug van nooit weggeweest: met grote machtsconcurrentie, geopolitieke conflicten en beschavingsvraagstukken die de toekomst zullen bepalen.
In deze context is het nuttig te kijken naar inzichten van enkele denkers die de harde realiteit van geopolitiek beschreven. Allereerst de Duitse jurist Carl Schmitt, die het begrip “uitzonderingstoestand” introduceerde. Volgens Schmitt toont de soeverein zich in degene die de wet kan breken in naam van het hogere belang – met andere woorden, wie bepaalt wanneer de regels niet meer gelden, staat feitelijk boven die regels. Als we dit projecteren op het wereldtoneel, zien we dat de Verenigde Staten zich de facto als zo’n soeverein hebben opgesteld in de unipolaire periode. Wanneer het de Amerikanen uitkwam, zetten zij het internationale recht opzij onder beroep op uitzonderingen. De invasie van Irak in 2003 gebeurde zonder mandaat van de VN-Veiligheidsraad, op basis van valse voorwendselen over massavernietigingswapens. Washington besloot dat de “dreiging” de uitzonderingstoestand rechtvaardigde – en wie kon hen stoppen? Evenzo zagen we in de War on Terror hoe de VS marteling en onbeperkte detentie (Guantánamo) toepasten, voorbij alle verdragen, omdat men zichzelf in een noodtoestand waande. Het bombarderen van Libië ging van een beperkte VN-resolutie ter bescherming van burgers naar een volledige regime-change operatie – opnieuw een oprekking van het mandaat. In Syrië opereren Westerse strijdkrachten en inlichtingendiensten zonder uitnodiging van de regering en tegen het internationaal recht in, onder het mom van “humanitaire plicht” of terrorismebestrijding. En decennialang al genieten bepaalde bondgenoten, met name Israël, immuniteit: ondanks schendingen van VN-resoluties en humanitair recht (denk aan illegale nederzettingen, annexaties, disproportioneel geweld) weigeren de VS en hun Europese volgers echte consequenties op te leggen. Steeds weer geldt: de wet is bindend voor tegenstanders, maar niet voor de hegemon en zijn protégés. Schmitt zou dit meteen herkennen als het werk van een soeverein die zich boven de gedeelde orde plaatst.
Maar de wereld accepteert dit niet langer kritiekloos. Hierin ligt de kern van de geopolitieke verschuiving: het uitzonderingsprivilege van de VS wordt uitgedaagd door andere spelers die de regels naar zich toe willen buigen. Rusland, China, maar ook regionale machten als Turkije, Iran of India varen steeds vaker een eigen koers die afwijkt van het door Amerika gedomineerde “regels gebaseerde” systeem. De oorlog in Oekraïne bijvoorbeeld markeert op tragische wijze het einde van de onbetwiste Amerikaanse alleenheerschappij in Europa. Waar de NAVO jarenlang een vanzelfsprekend vehikel was van Westerse macht, stuitte haar expansie naar het oosten uiteindelijk op harde grenzen. Reeds in 2007 fulmineerde Poetin dat de unipolaire wereld onacceptabel was en dat verdere NAVO-uitbreiding richting Oekraïne een existentiële bedreiging vormde voor Rusland. Toch negeerden Westerse leiders die waarschuwing: in 2008 prononceerde de NAVO op een top dat Oekraïne en Georgië op termijn zouden toetreden. Deze strategische misrekening – ingegeven door hubris en het misverstand dat Moskou te zwak was om tegenspel te bieden – plantte de zaadjes voor de huidige oorlog. Voor Rusland was de belofte van NAVO-lidmaatschap aan Oekraïne een rode lijn die uiteindelijk bruut werd afgedwongen met militaire middelen. Dat wil niet zeggen dat de Russische agressie gerechtvaardigd is, maar het betekent wel dat klassieke geopolitieke logica zich opnieuw heeft opgedrongen: grote mogendheden tolereren geen vitale bedreigingen vlak voor hun deur. De illusie dat internationale politiek louter een kwestie van waarden en juridische afspraken is, werd door de werkelijkheid van tanks en raketten aan diggelen geschoten.
Een andere denker, de Britse geograaf Halford Mackinder, leert ons dat aardrijkskunde en macht onlosmakelijk verbonden zijn. Al in 1904 wees Mackinder op het strategische belang van het “Hartland” – grofweg Centraal-Eurazië. “Who rules East Europe commands the Heartland; who rules the Heartland commands the World-Island; who rules the World-Island commands the world,” schreef hij. Deze oude wijsheid klinkt door in wat we vandaag zien: de machtsstrijd om gebieden als Oekraïne, Centraal-Azië, de Zuid-Chinese Zee, draait om controle over sleutelposities in de wereld. De Verenigde Staten als zeemacht probeerden decennialang elk opkomend Euraziatisch machtsblok te voorkomen (verdeel en heers), maar nu krijgen we mogelijk een tegenhanger: China en Rusland zoeken toenadering, om samen met andere regio’s minder afhankelijk te worden van Washington. In Mackinders termen: het Heartland is niet langer eenvoudig te penetreren door de zeemachten; continentale allianties dagen de maritieme hegemonie uit. Deze multipolaire dynamiek – macht verspreid over meerdere polen – betekent dat Europa niet langer in een door Amerika gedomineerde speeltuin leeft, maar in een competitieve wereld waar verschillende centra (Washington, Beijing, Moskou, Delhi, wellicht straks ook Afrika en Zuid-Amerika) invloed uitoefenen. De simpelheid van het unipolaire moment is voorbij.
Een blik op de klassieken bevestigt dit inzicht. Thucydides, de Griekse historicus, beschreef 2400 jaar geleden hoe de oorlog tussen Sparta en Athene onvermijdelijk werd door de opkomst van de ene macht en de angst van de ander. Deze Thucydides-val – de tragiek dat een gevestigde hegemon en een rijzende rivaal vaak op ramkoers raken – doemt nu ook op aan de horizon van de 21e eeuw. De gevestigde macht is de VS, de rijzende macht China. Hun belangen botsen in de Stille Oceaan, in technologiewedlopen, in invloed op internationale instituties. Voeg daarbij een heroplevend mondiaal Zuiden dat niet langer als voetnoot van de geschiedenis wil fungeren, en de contouren van nieuwe conflicten verschijnen. Het Westen zal moeten beseffen dat het niet langer de scheidsrechter is maar een speler in het veld, onderworpen aan dezelfde realpolitik als alle anderen. Thucydides liet optekenen: “De sterken doen wat ze kunnen en de zwakken lijden wat ze moeten.” Die cynische realiteit dreigt terug te keren nu de “Pax Americana” afbrokkelt. Als Europa niet oppast, gaat het van vazal in een Amerikaans rijk naar pion in een groter machtsspel – nog steeds zonder eigen zeggenschap.
Ten slotte herinnert historicus Arnold Toynbee ons eraan dat beschavingen niet onsterfelijk zijn. Hij zag geschiedenis als een reeks beschavingen die opkomen en ten onder gaan, afhankelijk van hoe creatief ze antwoorden op uitdagingen. Een beschaving die de uitdagingen niet aankan – die verstard is in oude gewoonten of zelfgenoegzaamheid – pleegt “zelfmoord” (zoals Toynbee het noemde) door falende respons, eerder dan vermoord te worden door een externe vijand. Het Westen na de Koude Oorlog waande zich onoverwinnelijk; het liberalisme werd dogma en men geloofde dat technocratisch beheer van de status-quo voldoende was voor altijd durende voorspoed. Dit is de hubris die Toynbee noodlottig acht: een cultuur die ophoudt zichzelf kritisch te bevragen of te vernieuwen, wordt zwak van binnenuit. We zien de symptomen: politieke stagnatie, een inhoudsloze mediacratie, elites die vooral de korte termijn beheren, en samenlevingen die verdeeld raken over triviale identiteitskwesties terwijl de grond onder hun voeten verschuift. Het falen van het End of History-idee is niet alleen geopolitiek, maar ook cultureel: het Westen dreigt zijn improvisatievermogen en samenhang kwijt te zijn net nu grote systeemschokken plaatsvinden.
Wat betekent dit alles concreet voor Europa? Allereerst dat de belangen van de Verenigde Staten en Europa niet langer automatisch samenvallen – als ze dat al ooit deden. Washington denkt in termen van hegemoniebehoud: het wil zijn mondiale positie stutten, ook als dat confrontaties met Rusland of China inhoudt. Voor Europa echter pakken die confrontaties vaak desastreus uit. De oorlog in Oekraïne bijvoorbeeld heeft Europa economisch en energetisch zwaar getroffen, terwijl de VS er minder onder lijden en zelfs munt slaan uit de situatie (denk aan de verkoop van LNG-gas en wapens aan Europa). De Amerikaanse focus op het Indische-Pacifische gebied en rivaliteit met China kan Europa in een spagaat brengen: meegaan met Amerikaanse sancties en decoupling betekent forse economische schade voor Europese bedrijven die afhankelijk zijn van de Chinese markt. Ook ethisch maakt de Amerikaanse dubbelrol het lastig: ze prediken mensenrechten en democratie, maar steunen tegelijkertijd dictaturen als het hun uitkomt (van Saoedi-Arabië tot Egypte) en verwachten dat Europa daarin meegaat. Europa’s geloofwaardigheid bij de rest van de wereld lijdt hieronder, en daarmee haar vermogen om zelf partnerships aan te gaan. Het meest schrijnend is misschien wel dat de NAVO-bondgenoot bij uitstek – de VS – Europa’s directe buurt, zoals Noord-Afrika en het Midden-Oosten, in vuur en vlam heeft gezet met interventies, en vervolgens Europa de vluchtelingen en de terreurdreiging laat opvegen. Vrienden die je meesleuren in hun eigen vechtpartijen terwijl jij de brokken mag lijmen, stellen jouw belang niet voorop.
Toch blijven veel Europese leiders doen alsof de oude situatie intact is. Ze spreken over “onze waarden” verdedigen en over eenheid met Amerika, terwijl ze de facto hun eigen strategische positie verzwakken. Men houdt vast aan de gedachte dat Europa geopolitiek autonoom is – we hebben immers de EU, we hebben “gewicht” in onderhandelingen – maar dat is slechts schijn zolang we geen onafhankelijke koers durven varen. De EU mag dan economisch een reus zijn, politiek gedraagt ze zich als een reus op lemen voeten: intern verdeeld, militair zwak en gewend om onder Amerikaans veiligheidsparaplu te leven. Het Europese project dat ooit vrede en welvaart bracht, is bestuurlijk verworden tot symptomenbestrijding. Bij elke crisis – eurocrisis, migratiecrisis, pandemie, energiecrisis – knutselt men noodverbandjes via nachtelijke top overleggen, zonder de onderliggende kwetsbaarheid weg te nemen. Er is geen visie op de nieuwe wereldorde, laat staan de durf om daarnaar te handelen. Europese partijpolitiek draait intussen door in de oude groeven: liberalen versus socialisten over een paar procent begroting, conservatieven versus groenen over een klimaatroos, populisten die de schuld geven aan “Brussel” of “de elite” – maar niemand die de geopolitieke olifant in de kamer adresseert.
Cultureel gezien lijdt Europa aan een ideeënarmoede en identiteitscrisis: men blijft zich wentelen in post-historische illusies, alsof techniek, markt en een beetje soft power alle problemen oplossen. Maar de opkomst van nieuwe wereldmachten en de terugkeer van harde machtspolitiek vragen om een fundamentele bezinning. We zullen moeten erkennen dat Europa niet langer in een uitzonderingspositie verkeert waarin de geschiedenis ons spaart. Zolang we blijven doen alsof – alsof de Amerikaanse hoeder altijd wel zal beschermen, alsof morele verontwaardiging een strategie is, alsof symptoombestrijding volstaat – groeit onze fundamentele zwakte. We raken verder achterop in militaire slagkracht, in grondstoffenzekerheid, in technologische autonomie, maar ook in geestelijke weerbaarheid.
De toekomst behoort aan zij die geopolitieke realiteiten durven onder ogen zien en daaraan hun gemeenschap aanpassen. Dat betekent: ophouden met slopulistische praatjes die de kiezer paaien maar de machtsverhoudingen ontkennen. Het betekent ook: Europa hervinden als beschavingsproject met een eigen koers, in plaats van enkel reagerend te zijn op andermans agenda. Alleen door de wereld te zien zoals ze is – hard, competitief, maar ook vol kansen buiten de oude structuren – kan ons continent een nieuwe, autonome rol opeisen. De tijd van slaapwandelen is voorbij. De keuze is helder: wakker worden in een multipolaire wereld en handelen, of wegzakken in irrelevantie terwijl de geschiedenis zich elders voltrekt.
Sacha Vliegen
Reactie plaatsen
Reacties